Bibliotheek

Home
PETITIE
PETITIE-vervolg

Tribunaal 2005


Onze BIBLIOTHEEK
Alternatieven wereldwijd
Sociaal econ.orde
Structurele verandering
Concrete praktijk
Overige Literatuur
Aanraders/Nieuw
Besprekingen

Debat

Dag van Alternatieven

Workshops

Projecten



Over ons .. de media

English
summaries













Cursussen/workshops

Dag van Alternatieven

Vóór de Verandering...
Over ons ...

Links

Publicaties/ Nieuwsbrief

Contact/colofon

Archief
Besloten
Literatuur: BESPREKINGEN

Onzichtbaar achter glas; onderzoek naar de bijdrage van illegalen in de glastuinbouw van het Westland

Auteurs: Ahmed Benseddik, Marijke Bijl
Uitgever: Stek/OKIA, 2005
Besproken door: Margies Kaag


Kernboodschap van dit onderzoek is: de Nederlandse glastuinbouw kan niet bestaan zonder goedkope arbeiders. Anders ontstaan er chronische financiële tekorten zijn. Toch is dit de sector die zorgt voor 25% van het Nederlandse handelsoverschot. Ondertussen biedt de sector werkgelegenheid onder de Nederlandse sociale maat. Volgens principes van vrijhandel gepaard met standaard normen voor goed ondernemerschap zou deze sector dus moeten verdwijnen. Dat gebeurt niet, want het huidige neoliberalisme verwerpt die normen en verwordt zodoende tot roofdierkapitalisme, waarvoor in dit geval de illegalen een zeer bittere prijs betalen. Dit onderzoek laat in een notendop zien hoe het huidige economische systeem werknemers marginaliseert en tegen elkaar uitspeelt. Zijn betekenis gaat daarmee verder dan de schrijnende positie van illegalen. Het is de globaliserende wereld in minivorm achter glas.

Het onderzoek maakt vooral gebruik van een enquête onder 98 illegale arbeiders. Voor de economische achtergrondgegevens over de sector worden gegevens gebruikt van onderzoekers van de wetenschapswinkel van Wageningen UR.

De glastuinbouw is van groot belang voor de Nederlandse economie. In 2002 levert de sector 25% aan het Nederlandse handelsoverschot. De tuinbouw is in 1500 begonnen om de steden te bedienen. Na de agrarische crisis van 1880 kwamen de eerste coöperatieve initiatieven in de vorm van een boerenleenbank. Ook ontwikkelde zich het coöperatieve veilingsysteem waarbij zoveel mogelijk potentiële kopers concurreren voor iedere aangevoerde partij. De vraag was groter dan het aanbod. Al die tijd is veel geld verdiend met de export naar Engeland en Duitsland. De EG met zijn vrije markt werkte goed voor deze sector. Maar na 1990 raakte de West-Europese markt verzadigd. Bovendien verminderde de betekenis van de veiling door de opkomst van de supermarkten. Hiervan zijn er door fusies en overnames steeds minder; in 1997 bepalen 30 supermarkten de markt in Europa. Zij baseren hun eisen van kwaliteit, toenemende variatie en vooral extreem lage prijzen op de wensen van de consument.
De tuinders leggen zich vooral toe op technische vernieuwingen waardoor hun productie per oppervlakte vermeerdert. Een andere vernieuwing is het systeem waarbij men de productie van iedere werknemer kan controleren en de langzamen kan verwijderen. Het is een kapitaalsintensieve bedrijfstak. Twee peildata (1990 en 1999) laten zien dat de productiekosten gemiddeld hoger zijn dan de opbrengsten. Bedrijfsgrootte verbetert in het algemeen de verhouding tussen kosten en opbrengsten. Kleine (familie-) bedrijven daarentegen hebben een grotere rek in de opvang van tekorten vanwege minder inflexibele kosten als renteaflossing en lonen. Gemiddeld bestaat eenderde van de kosten uit die van arbeid.
Het rapport wijst op de concurrentie op arbeidskosten met Spanje (binnen Europa) en Kenia (buiten Europa). Overigens is de concurrentie in Kenia voor het grootste deel in handen van Nederlandse tuinders en komt de winst (na aftrek van kosten voor huisvesting en medische voorzieningen van de laagbetaalde werknemers) terug naar Nederland en vormt zo een bijdrage aan het Nederlandse BNP.
De kwaliteit van arbeid is in deze sector altijd gering geweest: eentonig, langdurig, lichamelijk belastend werk, geen carrièremogelijkheden en betrekkelijk laag loon. Het tekort in kwantiteit speelt voortdurend en wel met name dat aan flexibel in te zetten werknemers om pieken op te vangen. Om Nederlandse werklozen aan het werk te krijgen via Arbeidspools werd in 1993 een Tuinbouwakkoord getekend, maar tien jaar later blijken er opnieuw spanningen in de arbeidsvoorziening. De maatregelen die de overheid instelt om werkgevers te prikkelen werknemers gezond te houden, leiden ertoe dat de bedrijven steeds minder vaste krachten (waar die maatregelen voor gelden) in dienst houden. Er is een toename van inleenwerk via uitzendbureaus, die bovendien in grote mate gedereguleerd worden. De vakbonden houden zo geen invloed op de kwaliteit van het werk

Arbeidsmigratie is van alle tijden en het oorspronkelijke vreemdelingenbeleid ligt in handen van de steden. Vreemdelingen werden toegelaten mits ze een voldoende bron van inkomsten hadden en geen gevaar opleverden voor de openbare orde. In de grondwet van 1815 en in die van 1848 werd geen onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen en autochtone inwoners. In 1849 was er weliswaar een vreemdelingenwet, maar nog nauwelijks sprake van een vreemdelingenbeleid.
Na de Tweede Wereldoorlog hielp de overheid eind jaren zestig buitenlanders (vooral Turken en Marokkanen) te werven; aan buitenlanders die zich spontaan op de Nederlandse arbeidsmarkt melden werden nog geen eisen gesteld. Toen de werkloosheid onder Nederlanders toenam veranderde dat met de zogeheten ‘Roolvinkstop’ (genoemd naar de toenmalige minister van Sociale Zaken) in 1968. Van buitenlanders werd geëist werd dat zij een Machtiging tot Voorlopig Verblijf konden overleggen, die zij bij een Nederlandse ambassade verkregen moesten hebben alvorens Nederland binnen te komen. Zo werden de al in Nederland aanwezigen spontane aanmelders automatisch illegaal. De nu illegale werknemer is uitzetbaar en de werkgever die hem in dienst heeft begaat een economisch delict. Illegale werknemers konden overigens wel een sofi-nummer aanvragen en zodoende ‘wit’ werken. Als zij tevens zes jaar aaneengesloten verbleven in Nederland konden ze bij diverse regelingen in de jaren zeventig gelegaliseerd worden.
Problematisch werd het voor hen toen in november 1991 aan nieuw binnenkomende illegalen geen sofi-nummer meer werd uitgereikt. En nog moeilijker werd het bij de koppelingswet uit 1998, waarbij bestanden van diverse instanties gekoppeld werden om illegalen op te sporen en uit te zetten. De in Nederland verblijvende illegalen ontberen door deze aanscherping van het beleid allerlei sociale voorzieningen (ziektewet, WW en WAO) en veiligheden zoals een ziektekostenverzekering. Bovendien is de Arbeidsinspectie, die op hun werkwelzijn zou moeten toezien, geneigd of zelfs verplicht ze aan te geven als ze een ziekmakende toestand bij zo’n werknemer constateren.

Er zijn duidelijk tegengestelde belangen van betrokken instanties. Zo staat de centrale overheid voor het dilemma dat ze enerzijds (net als eertijds in het vreemdelingenbeleid van de steden) geen vreemdelingen wil dulden die afhankelijk zijn van het inmiddels uitgebouwde sociale zekerheidsstelsel, terwijl ze anderzijds het belang van de tuinbouwsector voor de Nederlandse economie onderschrijft en dus medeverantwoordelijk is voor voldoende arbeidsaanbod voor deze sector. Er ontstaat een probleem voor de vakbonden, die zich instellen op een verbetering van het werk in de sector zelf. Ze stappen in 1979 uit de commissie Personeelsvoorziening Tuinbouw omdat ze deze commissie zien als zuivere ronselaar.
Door het project Seizoenarbeid kunnen tuinders die aan een aantal voorwaarden voldoen ondersteuning krijgen bij het vinden van personeel, allereerst uit Nederland zelf en voorts uit de Europese Unie. In het HALproject worden tuinders ondersteund in het vinden van een loonbedrijf of uitzendbureau dat zich aan de regels houdt. Door aanscherping van het beleid zet de overheid de werkgever onder druk om vooral geen illegalen in dienst te hebben. Het opsporingsbeleid wordt geïntensiveerd en zoveel mogelijk multidisciplinair uitgevoerd.
Maar de werkgevers achten Nederlandse werklozen voor dit zware, eentonige werk meestal niet geschikt. Men richt zich vooral op buitenlanders.

De kern van het veldonderzoek bestaat uit een uitvoerige enquête onder 98 illegalen in twee peilperioden: 1991/1992 en 2001/2002. Het niet meer afgeven van een sofi-nummer (1992) en de invoering van de koppelingswet (1998) bevinden zich tussen die peilperiodes. Een aantal respondenten is in de tweede periode legaal geworden. In de eerste periode zijn illegalen soms in vaste dienst bij een tuinder en ook wordt er veel wit gewerkt. In de tweede periode wordt er veel gewerkt via intermediairs als uitzendbureaus en loonbedrijven.
De arbeidsomstandigheden verharden in de tweede peilperiode. Snel inzetbaar, hoog werktempo, onprettige werkomstandigheden zoals een praatverbod, afrekenen via tijdpadregistratie. Lonen zijn dan onzekerder, worden niet of gedeeltelijk of laat uitbetaald, vooral door de intermediairs. Grote tuindersbedrijven werken nog al eens met meerdere intermediairs, die ze tegen elkaar laten concurreren.
Vakbondsvertegenwoordigers beoordelen de behandeling van werknemers door uitzendbureaus als gemiddeld slechter, maar zien het als een onderdeel van een geheel waar de tuinder voordeel van heeft, zelfs als een werknemer via een uitzendbureau per uur iets duurder zou zijn. Hij hoeft die werknemer immers niet in dienst te houden als er minder werk is. Van de vaste illegale werknemers bij tuinders die hen willen vervangen door goedkopere tijdelijke krachten, kan ontslag gemakkelijk geregeld worden als de tuinder aangeeft “ontdekt” te hebben dat zijn werknemer illegaal is. Ontslag werd door sommige respondenten nog wel eens met succes aangevochten, maar dan alleen wanneer ze inmiddels een legale status hebben gekregen. Samenvattend zien we een toename van inleenarbeid. Verhoogde werkdruk gaat gepaard met mindere honorering van arbeidservaring en een teruggang in de arbeidszekerheid. Daarnaast blijken legale Polen de traditionele illegalen te vervangen.

In beide peilperioden zijn de persoonlijke omstandigheden bedroevend. Dat geldt zeker voor de huisvesting, veelal in pensions met teveel mensen boven op elkaar. Door de onzekerheid in het werk (vooral in de tweede peilperiode) maken sommigen hoge schulden waar ze moeilijk meer uit kunnen komen. Schrijnend is het nauwelijks bestaande contact met gezin en familie, die meestal in het buitenland blijven. Hoewel men er niet graag over praat blijken vele respondenten niet alleen hun gezin in het buitenland te onderhouden, maar ook verdere familieleden.
In beide peilperiodes is er ook een groot verschil in omstandigheden tussen CAO-werknemers en illegale werkers, maar de werkomstandigheden van de illegalen zijn in de eerste peilperiode beter dan in de tweede. In de tweede periode is het hele CAO-bouwwerk aan het afbrokkelen door de flexibilisering van de arbeidsmark. Degenen aan de onderkant van dat bouwwerk (de illegalen) maken het slechter dan in de eerste periode en worden bovendien bedreigd door instroom van nieuwe ultragoedkope werkers uit Polen en Bulgarije.

Margies Kaag, augustus 2005



AGENDA/NIEUWS
Nieuwe economische perspectieven, verder met zorg en democratie in de economie
Op zaterdag 20 maart organiseren de Stichting voor Zorgeconomie en de Stichting OostalArm een workshop:
Nieuwe economische perspectieven, verder met zorg en democratie in de economie.

Lees verder ...
Developed with QwikZite (version 1.12)